Ik hou u meteen een paar dagen hier, op hematologie, ik wil u graag in de buurt hebben.’

Mijn ziekenhuiskamer – eigen foto

Ineens patiënt!

Ineens lag ik in het ziekenhuis. Voor bijna vijf dagen. Acuut. Met een mij eerst onbekend bloedstollingsprobleem; nu weet ik er steeds meer van.

Blauwe plekken, echt bont en blauw, paars, bloeddoorlopen oog, duizenden piepkleine puntbloedinkjes over mijn lichaam. Armen, handen, benen, hoofd. Soort Van Gogh dus; het geel van de maan en de sterren schemert er in door.

Bloedplaatjes die tot onder de meetbare waarden waren gezakt: drie… is ‘niets’, zei de verpleegkundige kortweg. Vreemd. Onvoorzien.

ITP, autoimmuunprobleem. ‘Idiopathische Trombocytopenische Purpura, ook wel de ziekte van Werlhof genoemd’, zei de behandelend arts, en het leek warempel wel alsof hij de Latijnse naam van een bloem reciteerde. Nooit eerder van gehoord (er schijnt zelfs een patiëntenvereniging te bestaan). Aandoening waarbij het lichaam bloedplaatjes, thombocyten, te snel afbreekt. Beetje eng. Bloedplaatjes zijn nodig bij de bloedstolling.

Dwaalspoor

Het lichaam dat per abuis, door een misverstand of iets onduidelijks, een infectie of een ontsteking, op een dwaalspoor wordt gezet en ineens de goede cellen gaat aanvallen. Die als indringers ziet. Waardoor? Hoe komt een mens eraan? Hoe kom je eraf. Soms is het een eenmalige correctie van je afweersysteem, soms een chronische kwestie – geen idee wat het zal worden.

‘Of ik mijn tandenborstel bij me had’, vroeg de internist, out of the blue. Hoezo? ‘Ik hou u meteen een paar dagen hier, op hematologie, ik wil u graag in de buurt hebben.’ Ik had nergens op gerekend, het is einde van de middag. Ik moest alles uit mijn handen laten vallen.

Plotseling ben ik patiënt. Polsbandje om. Bed in. Bloed afnemen, injecties, waarden doorgeven. Compleet ander leven in zo’n ziekenhuis, vreemd ritme. Bizar bijna.

Kuddes verpleegkundigen aan m’n eerst ongemakkelijke ziekenhuisbed. Allemaal met corona-mondkapjes en faceshields, handschoenen aan. Handgel bij de vleet. Ja, ze zijn getest, de meeste hebben hun tweede vaccinatie al op zak, nu ja een paar dagen pas – ik vraag het ze stuk voor stuk. Ze antwoorden probleemloos; het is een normale vraag om te stellen. Ik wil geen ongeteste, niet-gevaccineerde verpleegkundigen aan mijn bed.

Zeker niet met mijn onverwachte immuunprobleem…

Zelfisolatie

Toch voel ik me een beetje in het hol van de leeuw. Elk contact is verdacht. Aan iedereen stel ik die vraag, smetvrezend, bijna paranoia. Ben ik daarvoor maandenlang in zelfisolatie gegaan, om nu ineens dat virus mee te pakken? Nee toch zeker. Mijn mondmasker pak ik regelmatig van mijn nachtkastje. Ik neem geen risico. Nu ja, iedereen is voorzichtig.

De eerste echte dag begint om vijf minuten voor zes, in de morgen. Bloed afnemen. Twaalf buisjes. Wát 12 buisjes…?! ‘Ja, ze noemen me hier zuster Vampirina’, zei de ietwat oudere verpleegkundige met een moeilijk te peilen glimlach vanuit het duister. ‘Ik zuig u leeg.’

Vijftien minuten slapen. Om weer wreed te worden gewekt: ‘Meneer Steenhorst, wat is uw naam en uw geboortedatum?’ Mijn naam heeft u dus kennelijk al… Waar komt u voor? Voor de medicatie: dexamethason. En bloeddruk meten. Oorthermometer ook: 36.1. Is mooi. En deze pillen moet u eveneens innemen. ‘Oké.  De industrie doet weer goede zaken.’

En zo gaat het maar door, dag in dag uit: meer buisjes bloed, meer medicatie, meer verpleegkundigen – met sommige van hen is er onmiddellijk een band; ze zijn aardig, werken vol overgave.

Stofsneeuw

Er zijn veel telefoontjes en app’jes van bezorgde vrienden en contacten.

Toch voel ik me leeg. Ontheemd. Buiten is het gaan sneeuwstormen. Ik kijk vanuit mijn ziekenhuiskamerraam op de centrale stadsplas tussen de woonkernen – die is grauw, met licht besneeuwde hoogspanningsmasten en bijna onmetelijk. Stofsneeuw slaat de hoek om. Een man waagt het buiten zijn hond uit te laten, diep ineengedoken, de hond in een dekje. Schuifelend verdwijnen ze in het grijs van de winteravond.

Toch heb ik geen idee hoe Nederland inmiddels bijna historisch ondersneeuwt. Mijn wereld is klein in een middelgroot ziekenhuis.

Ik ben er weer… bijna.

Elk contact is verdacht. Aan iedereen stel ik die vraag, smetvrezend, bijna paranoia.