Sander de Hosson (Utrecht, 1977) is longarts en specialist palliatieve zorg in het Wilhelmina Ziekenhuis Assen (WZA). Enkele jaren geleden ontdekte hij ook zorg te kunnen verlenen via zijn pen en troost en begrip te kunnen bieden met het geschreven woord. Naast leerboeken over zijn vak en wetenschappelijke publicaties, schrijft Sander de Hosson columns over de zorg waarin hij de menselijke maat hanteert. Onlangs verscheen de 13e druk van zijn eerste bundel 'Slotcouplet'

‘Stierf hij alleen?’, vraagt zijn vrouw. ‘Nee,’ zeg ik. ‘Nee. We waren bij hem. Hij was niet alleen. Hij is niet alleen gestorven. We hielden hem vast.’

Alleen sterven…

‘In de bus?’, vraag ik. Mijn vragend antwoord moet nogal verbouwereerd geklonken hebben, toen ik de verpleegkundige van de avond vroeg waar zijn echtgenote bleef. We zitten samen om het bed van een ruim tachtigjarige man die onze aanwezigheid vermoedelijk allang niet meer opmerkt. Zijn ogen zijn gesloten en zijn handen liggen gevouwen op zijn buik. Ik kijk naar het op en neer gaan van zijn borst en zie dat zijn ademhaling steeds rustiger wordt. We hebben onze handen om de zijne geslagen. De verpleegkundige houdt de ene vast, ik de andere. De patiënt is stervende.

Heel soms verslechtert iemands situatie zo snel dat de familie niet op tijd is om bij het sterven aanwezig te zijn. Dat is hartverscheurend. Externe factoren kunnen een rol spelen; zo kwam ooit een familie te laat doordat ze opgehouden werden door een routinecontrole van de politie. We hadden op tijd gebeld, maar de auto was door de politie aan de kant gezet om de brandstof te controleren. Het terechte protest werd gesmoord, zo begreep ik. Waarom hadden ze mij dan niet even gebeld, vroeg ik. Maar dat wilde de politie niet. Ik begrijp daar helemaal niets van. Een familie op weg naar een stervende geliefde verdient een zwaailicht.

Piëteit

Als we zien aankomen dat iemand alleen sterft, valt me op dat elke zorgverlener grote piëteit betracht en zoveel mogelijk ruimte vrijmaakt om aanwezig te zijn. Helaas kunnen we door tijdgebrek steeds minder vaak voldoen aan deze stilzwijgende erecode, die voortkomt uit goed hulpverlenerschap en menselijkheid.

De man ligt sinds twee dagen op onze verpleegafdeling met een longontsteking. Hij is in een buitengewoon matige conditie en thuis ging het beslist niet meer. Hij woont alleen met zijn vrouw en ze hebben alle thuiszorg  weten af te wimpelen. Toen hij ziek werd, belde de huisarts mij en vroeg om een opname.

Al vrij snel vermoed ik dat patiënt het niet zal overleven. Ik deel dat met hem en zijn vrouw, en ze verzoeken mij om een plekje in een palliatief georiënteerd verpleeghuis te regelen. Als hij zal sterven, wil hij niet dat het thuis gebeurt. Terwijl we een plek in een verpleeghuis regelen, worden we ingehaald door de tijd. De longontsteking reageert niet op antibiotica en de benauwdheid neemt toe. Ik verzoek de verpleging zijn vrouw te bellen, zij moet beslist snel komen.

Terwijl we op haar wachten, sterft hij ineens, tussen ons in, gewoon van het ene op het andere moment. Alsof het niets is. We horen nog één ademhaling en dan wordt het stil. Na twee minuten laat ik zijn hand los, pak mijn stethoscoop en luister naar zijn hart dat geen geluid meer maakt.

Wandelstok

Bij de entree van de verpleegafdeling vertel ik haar nog geen twintig minuten later dat hij dood is. Als we in zijn kamer zijn, valt haar wandelstok met een klap op de grond als ze hem ziet liggen. Ze wankelt naar hem toe en pakt zijn gezicht vast. Dan huilt ze. Het is een prachtig beeld dat even lijkt te vertragen, alsof iemand onopgemerkt een slow motion-knop indrukt. Ik zie die mooie oude handen om zijn gezicht, haar mond dicht tegen zijn voorhoofd. Haar lippen tuiten zich en dan kust ze hem. Een van haar tranen loopt over zijn gezicht en valt op zijn kussen.

Dan staat ze op en gaat op de stoel recht tegenover mij zitten. Ze kijkt me strak aan – het maakt me wat onzeker – en stelt de enige vraag die ze heeft. ‘Stierf hij alleen?’

Deze vraag had ik verwacht. Het is een belangrijke.

‘Nee,’ zeg ik. ‘Nee. We waren bij hem. Hij was niet alleen. Hij is niet alleen gestorven. We hielden hem vast.’

‘Dank,’ zegt ze, en er verschijnt een glimlach op haar gezicht. Dan steekt ze haar handen uit naar de verpleegkundige en naar mij. Terwijl ze in onze handen knijpt, fluistert ze, ‘Dank. U weet niet half wat dat voor mij betekent.’

De familie kwam te laat door een routinecontrole van de politie. Brandstofcontrole. Het terechte protest werd gesmoord. Een familie op weg naar een stervende geliefde verdient een zwaailicht…

Foto’s: Pixabay – onder foto: Sabine van Erp