Bob was levensvatbaar, hij was compleet, met alles erop en eraan. Hij mankeerde helemaal niets.

TEYLINGEN – Twee piepkleine fotootjes in al even kleine lijstjes – een in de huiskamer, de ander in de slaapkamer. Het is al wat zijn ouders van hem bezitten, naast ingeëtste herinneringen aan de weinige uren dat ze met z’n drietjes samen waren in de onpersoonlijke ziekenhuiskamer.

Bob zou nu 26 jaar zijn, als hij levend geboren was. ,,Voor mij heeft hij altijd bestaan”, zegt Henriette, ,,Bob is eigenlijk elke dag wel in mijn gedachten.”

Op die zwaarbewolkte zomerdag in juli 1993, ging het mis. Vlak voor de 32ste week van de verder vlekkeloos verlopen zwangerschap, zo’n twee maanden voordat zijn moeder ‘uitgerekend’ was. ,,Elk jaar op 17 juli, de dag dat Bob levenloos ter wereld kwam, zet ik een klein vaasje met een al even kleine bloemetje bij elk van zijn fotootjes.”

Dat deed Henriette ook dit jaar – ,,Ik ga dan altijd naar het tuincentrum om iets blauws te zoeken, vast patroon”, zegt ze. Aansluitend gingen haar man Martin en zij naar het gemeentehuis van hun woonplaats Teylingen, noordelijk van Leiden, liggend in de driehoek Sassenheim, Voorhout en Warmond. Om Bob – met een vertraging van bijna drie decennia – alsnog te laten inschrijven, want dat kan sinds 3 februari 2019. Een bijzondere gebeurtenis voor het gezin.

Allitererend drietal

Bob behoort daarmee tot de nu ruim tienduizend in de loop der tijd levenloos geboren kinderen die zijn bijgeschreven in de basisadministratie van hun gemeente. Daarmee ook heeft de Staat der Nederlanden Bob officieel erkend. De jonge man, die hij nu had kunnen zijn, bestaat nu ook voor de wet en staat gevoegd in het rijtje van drie kinderen dat het gezin van Martin en Henriette heeft voortgebracht: ‘Boris, Bob en Barbara’, een prachtig allitererend drietal. ,,Het was eigenlijk niet meer dan een administratieve handeling”, zegt de moeder achteraf, en ze lacht. ,,Maar wel heel belangrijk voor ons. Die avond zijn we samen uit eten gegaan.”

Martin en Henriette zijn blij dat de naam van hun tweede zoon nu is bijgeschreven in de gemeente waar zij wonen, alhoewel de zwangerschap destijds veel te vroeg eindigde in Leiden. ,,Maar Bob was wel levensvatbaar, hij was compleet, met alles erop en eraan. Hij mankeerde helemaal niets. Als de omstandigheden ánders waren geweest, had hij het overleefd. Het was niet nodig geweest, als…”, en de moeder van drie schudt haar hoofd.

Ik wilde niet bevallen, dan zou ik mijn baby kwijt zijn. Stijf heb ik mijn benen over elkaar geslagen en heb dat lang volgehouden.

Henriette, inmiddels 58 jaar, mist nog altijd het kind dat ze zeven maanden bij zich droeg en toen opeens kwijtraakte. Bijna van het ene op het andere moment. Onaangekondigd, er waren geen eerdere signalen dat de zwangerschap van haar tweede kind zo dramatisch zou eindigen. ,,Zomaar ineens, na een acuut harde buik…”, zegt Henriëtte, een onvoorziene complicatie die later door de Leidse gynaecoloog verklaard werd als ‘een placenta-loslating’.

Na al die jaren dringen zich, tijdens onze gesprekken, opnieuw herinneringen en emoties aan haar op van de traumatische momenten waarin Henriette begon te beseffen dat haar baby vermoedelijk niet meer leefde. ,,Het kindje was dood, werd me gezegd. Ze wilden dat ik zo snel mogelijk in het ziekenhuis zou bevallen. Er werd al over een ruggenprik gesproken, over weeënremmers, over narcose. Maar ik wilde niet, ik wilde niet bevallen, dan zou ik mijn baby kwijt zijn. Nú had ik het kind nog, nú was er misschien nog een kans dat het leefde. Als ik zou instemmen met bevallen, dan zouden ze het weghalen. Stijf heb ik mijn benen over elkaar geslagen en heb dat lang volgehouden.”

Pijlers

Uiteindelijk lukte het toch de door verdriet beheerste moeder te ‘overvallen’, en zoals ze zelf zegt ‘mijn benen open te breken’. Tegen haar wens in werd Henriette onder anesthesie gebracht. Ze moest het kind laten gaan… Toen de baby geboren werd, bleek het jongetje inderdaad te zijn overleden in haar buik. De loslating van de placenta had de pijlers onder het leven vandaan gehaald.

,,Bob werd meteen in doeken gewikkeld, we mochten ons kind vasthouden en aanraken, en een paar uurtjes bij ons houden. We hebben hem in een wiegje gelegd  in een kamer van het ziekenhuis. En zijn daar bij gaan zitten, die korte tijd. Daar hebben we wat foto’s gemaakt, die nu in de lijstjes staan. Ik vond wel dat Bob op zijn drieënhalf jaar oudere broertje Boris leek. Nee, ik vraag me nooit af hoe hij nu zou zijn geweest…”

De gynaecoloog vertelde dat het ziekenhuis ‘een mooi plekje in de tuin’ had, waar de as van mijn kind dan zou worden uitgestrooid. Het bleek niet waar…

Het kind kon na de autopsie worden gecremeerd, ‘in het crematorium van het ziekenhuis’, kreeg de moeder wat later te horen. Dat zou ‘heel netjes’ gebeuren, werd haar verteld. ,,Mijn behandelend gynaecoloog – nee, niet degene die de bevalling had ingeleid – vertelde me dat het ziekenhuis ‘een mooi plekje in de tuin’ had, waar de as dan vervolgens zou worden uitgestrooid. Dat leek ons wel mooi, het stelde enigszins gerust. Het ziekenhuis zou alles regelen.”

De werkelijkheid bleek anders. ,,Ik heb aanvankelijk geen moment getwijfeld aan die toezegging”, zegt Henriette. ,,Ik wilde dat er netjes met ons kind zou worden omgegaan. Dat was ons beloofd. Maar de betreffende gynaecoloog, zelf een vrouw, ging daarna al mijn vragen over hoe het verstrooien van de as van mijn baby was gegaan, vervolgens uit de weg. Ze deed stuurs, kil en afstandelijk. Ik had er een ongemakkelijk gevoel bij.”

Gele container

Drie jaar later, toen de Zuid-Hollandse moeder opnieuw in verwachting was van Barbara, en daartoe in een ander ziekenhuis werd begeleid, kwam het hoge woord eruit: ‘Nee, er was helemaal geen crematorium in de kelder van het Diaconessenhuis, zoals ook in geen enkel ander. Ziekenhuizen cremeren niet. ,,De professor, met wie wij spraken, zei het heel netjes: ‘Dat wordt gedaan door een bedrijf in Rijnmond’. Martin begreep dat onmiddellijk, ik niet. Bob was dus niet verstrooid, maar in een gele container gestopt, afgevoerd naar de Afvalverwerking in Rijnmond en daar ‘gecremeerd’ in de verbrandingsoven. We zagen het later in een televisieprogramma hoe het in zijn werk ging met doodgeborenen, het was vreselijk, een schok…”

Toen het werkelijke verhaal eenmaal keihard tot Henriette was doorgedrongen, schreef ze zowel de Inspectie voor de Gezondheidszorg als het Diaconessenhuis in Leiden een brief over wat haar op de mouw was gespeld en wat er in werkelijkheid was gebeurd. ,,Kort erna ontving het paar een empathisch antwoord van de inspectie, dat van het ziekenhuis liet een tijd op zich wachten en was formeel van toon – afstandelijk.

Warmer was de behandeling in het academisch ziekenhuis van Leiden, het LUMC, waar de professor in de gynaecologie Henriette vroeg hoe ze het zou vinden als zij, gezien haar nu derde zwangerschap, ‘een paar nachtjes bij hem kwam logeren’. Henriette: ,,Hij was als een vaderfiguur, wilde me in de gaten houden, zeker na wat er allemaal gebeurd was. Ook met Boris, onze eerste, waren er problemen geweest aan het einde van de zwangerschap, en zelf ben ik ook een zevenmaands kind…”

Sinds nu bijna een jaar is het mogelijk om dood ter wereld gekomen kinderen in de basisregistratie van de gemeente te laten opnemen. Foto: Irina Murza/Unsplash

Nu al 10.775 levenloos geboren baby’s erkend

Door een wijziging van de Wet Basisregistratie Personen (BRP), in december 2018 bekrachtigd door de Eerste Kamer, is het sinds 3 februari 2019 mogelijk om dood ter wereld gekomen kinderen in de basisregistratie te laten opnemen. Ouders van intussen ruim tienduizend levenloos geboren kinderen (begin december 2019: 10.775) hebben dit initiatief tot wetswijziging van Natasja Geyteman omarmd en hebben hun kinderen aangegeven.

De Katwijkse moeder van twee dochters en een zoon verloor op 10 oktober 2007 haar eerste kindje, Jolie, bij de geboorte. ,,Ik zei tegen mijn gynaecoloog dat ik haar niet meer voelde, maar dat was uitgesloten, zei zij. Het bewakingssysteem gaf immers ‘leven’ aan. Had deze dokter maar beter geluisterd naar haar patiënt en indringender naar de apparatuur gekeken. Maar dat deed zij niet.”

Natasja Geyteman, initiatiefneemster tot wetswijziging: Achter ieder kind, dat nu is geregistreerd, schuilt een kolossaal verdriet.

Natasja Geyteman ontdekte in de maanden en jaren erna groot, stil en vaak langdurig verdriet bij veel meer ouders. Ze bleek duidelijk de enige niet. Natasha lanceerde uiteindelijk het veelbetekenende voorstel om al deze duizenden levenloos ter wereld gekomen kinderen een wettelijke erkenning van hun bestaan te geven. Bijna 82.000 mensen  tekenden de petitie tot wijziging van de wet.

Hoe ze op het idee kwam? ,,Bij het aanvragen van een paspoort voor Noah werd mij verteld dat ik op dat moment één kind had, terwijl ik er toen wel degelijk twee had: Jolie en Noah. Ik zei tegen de mevrouw aan de balie dat dit niet klopte, omdat wij toen twee kinderen hadden – later kwam Isa daar nog bij. Ik zei: ‘Komt dat omdat ons eigenlijk eerste kind, Jolie, niet levend geboren is?’ Dat klopte inderdaad, die kinderen werden niet door het systeem als ‘bestaand’ aangemerkt. Ik schrok ervan.”

De immense belangstelling van ouders voor deze mogelijkheid in de wet, is volgens Natasja alleszeggend. ,,Dat deze wet absoluut nodig was. Sindsdien is me ook gebleken dat achter ieder geregistreerd kind vaak een kolossaal verdriet schuilt…”